| 29 maart 2010
|
|
| Eerste
lezing uit het boek Jesaja
(42, 1-7)
Zo
spreekt de Heer: “Dit is mijn Dienaar, die Ik ondersteun; mijn
uitverkorene in wie Ik behagen schep: mijn geest stort Ik over hem uit,
gerechtigheid laat hij stralen over de volken. Hij roept niet, hij
schreeuwt niet, en op straat verheft hij zijn stem niet. Het geknakte
riet zal hij niet breken, de kwijnende vlaspit niet doven, in waarheid
zal hij de gerechtigheid laten stralen. Onvermoeid en onverbroken zal
hij op aarde gerechtigheid laten zegevieren: de verre kusten zien uit
naar zijn leer.”
|
|
| Uit
het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
(12, 1-11)
Zes dagen voor Pasen kwam Jezus te Betanië, waar Lazarus woonde, die Hij uit de doden had opgewekt. Men gaf daar ter ere van Hem een maaltijd. Maria bediende en Lazarus was één van degenen die met Hem aanlagen. Maria nu nam een pond nardusbalsem, echte en heel kostbare, zalfde daarmee Jezus' voeten en droogde ze met haar haren af. Het huis hing vol balsemgeur. Daarop zei Judas Iskariot, één van zijn leerlingen, dezelfde die Hem zou uitleveren: “Waarom is die balsem niet voor driehonderd denaries verkocht en het geld aan de armen gegeven?” Hij zei dat, niet omdat hij bezorgd was voor armen, maar omdat hij een dief was en uit de beurs die hij bewaarde, wegnam wat erin kwam. Jezus echter zei: “Laat haar begaan. Zij heeft dit gebruik onderhouden, vooruitlopend op de dag van mijn begrafenis. Want de armen houdt gij altijd bij u. Mij echter niet altijd.” Intussen waren heel veel Joden te weten gekomen dat Jezus daar was, en kwamen erheen niet alleen omwille van Jezus, maar ook om Lazarus te zien die Hij uit de doden had opgewekt. De hogepriesters besloten toen ook Lazarus uit de weg te ruimen, omdat om hem veel Joden wegliepen en in Jezus geloofden.
|
|
Overweging
|
|
| Gebed
Jezus, U brengt ons bij de volheid van de liefde van de Vader door Uw dood en verrijzenis. Alle lof, eer en heerlijkheid aan U voor het leven dat U ons geeft. Amen. |
|