Witte Donderdag  (1 april  2010) 

 

 

Eerste lezing uit het boek Exodus (12, 1-8+11-14)

In die dagen richtte de Heer het woord tot Mozes en Aäron in Egypte en sprak: “Deze maand moet gij beschouwen als de beginmaand, als de eerste maand van het jaar. Maak aan heel de gemeenschap van Israël het volgende bekend: Op de tiende van deze maand moet ieder gezin een lam uitkiezen, ieder huis een lam. Als een gezin te klein is voor een lam, dan moeten ze, rekening houdend met het aantal personen, samen doen met hun naaste buurman. Bij het verdelen van het lam moet er rekening gehouden worden met ieders eetlust. Het lam moet gaaf zijn, van het mannelijk geslacht en éénjarig. Ge kunt er een schaap of een geit voor nemen. Ge moet de dieren vasthouden tot aan de veertiende van de maand. Dan moet heel de verzamelde gemeenschap van Israël ze slachten in de avondschemering. Vervolgens moet gij wat bloed nemen en dat uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur van alle huizen waar het lam gegeten wordt. In diezelfde nacht moet het vlees gegeten worden, op het vuur gebraden. Het moet gegeten worden met ongezuurd brood en bittere kruiden. En dit is de wijze waarop gij het lam moet eten: uw lendenen omgord, uw voeten geschoeid en uw stok in de hand. Haastig moet ge het eten want het is Pasen voor de Heer. Deze nacht zal Ik door Egypte gaan en alle eerstgeborenen van Egypte, zowel mensen als dieren zal Ik slaan. Aan alle goden van, Egypte zal ik het vonnis voltrekken. Maar het bloed aan de huizen zal een teken zijn dat gij daar woont. Als Ik het bloed aan uw huizen zie zal Ik u voorbijgaan. Geen vernietigende plaag zal u treffen als Ik Egypte sla. Deze dag moet gij tot een gedenkdag maken, ge moet het vieren als een feest ter ere van de Heer. Van geslacht tot geslacht moet ge hem als een eeuwige instelling vieren.” 

 

Tweede lezing uit de Eerste brief aan de Korintiërs (11, 23-26)

Broeders en Zusters,
zelf heb ik van de Heer de overlevering ontvangen die ik u op mijn beurt heb doorgegeven: dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij werd overgeleverd brood nam en na gedankt te hebben het brak en zei: “Dit is mijn Lichaam voor u. Doet dit tot mijn gedachtenis.” Zo ook nam Hij na de maaltijd de beker  met de woorden: “Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed. Doet dit elke keer dat gij hem drinkt tot mijn gedachtenis.”
Telkens als gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren totdat Hij wederkomt.

 

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (13, 1-15)

Het paasfeest was op handen. Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader, en die de zijnen in de wereld bemind had gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe. Onder de maaltijd, toen de duivel reeds aan Judas Iskariot, de zoon van Simon, het plan had ingegeven om Hem over te leveren, stond Jezus van tafel op. In het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde, legde Hij zijn bovenkleren af, nam een linnen doek en omgordde zich daarmee. Daarop goot hij water in het wasbekken en begon de voeten van de leerlingen te wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen. Zo kwam Hij bij Simon Petrus die echter tot Hem zei: “Heer, wilt Gij mij de voeten wassen?” Jezus gaf hem ten antwoord: “Wat ik doe begrijpt ge nu nog niet, maar later zult gij het inzien.” Toen zei Petrus tot Hem: “Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen!” Jezus antwoordde hem: “Als gij u niet door Mij laat wassen kunt gij mijn deelgenoot niet zijn.” Daarop zei Simon Petrus tot Hem: “Heer, dan niet alleen mijn voeten maar ook mijn handen en hoofd.“ Maar Jezus antwoordde: “Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen tenzij de voeten, hij is immers helemaal rein. Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen.” Hij wist immers wie Hem zou overleveren. Daarom zei Hij ‘niet allen zijt gij rein’. Toen Hij dan hun voeten had gewassen, zijn bovenkleren had aangetrokken en weer aan tafel was gegaan sprak Hij tot hen: “Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb? Gij spreekt Mij aan als Leraar en Heer, en dat doet gij terecht, want dat ben Ik. Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een voorbeeld gegeven opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb.” 

 

Overweging

Dit jaar is door paus Benedictus XVI bijzonder aangemerkt om de priesters te eren. Laten we daarom vandaag bijzonder stilstaan bij het feit dat Jezus op deze avond niet alleen de Eucharistie heeft ingesteld maar ook het priesterschap. Wees u bewust van het voorrecht en de verantwoordelijkheid die priesters krijgen om in de persoon van Christus op te treden als herder en leraar! Deze instelling verdient het ongetwijfeld om geëerd te worden, en zij die tot het priesterschap geroepen zijn verdienen ons gebed en onze steun.

Denk bij de lezingen van vandaag na over de vele malen dat uw zonden zijn vergeven en dat u met God verzoend bent door de tussenkomst van een priester. Denk aan alle Eucharistievieringen waarin priesters voorgaan en aan alle genade die u daarbij hebt ontvangen – genade om u te versterken en te reinigen, genade om u troost en wijsheid en leiding te geven, genade om Gods liefde voor u steeds weer te bevestigen. Denk ook aan de talloze malen dat een priester Gods woord voor u heeft geopend, de ziekenzalving gegeven heeft en voorgegaan is in de uitvaartdiensten en begrafenissen voor familieleden en vrienden.

Denk aan alles wat tot ons komt via de dienst van het priesterschap en u zult het eens zijn met de heilige pastoor van Ars, Joannes Vianney, de patroonheilige van de priesters: “Een goede priester is het grootste geschenk dat de goede Heer een parochie kan geven en een van de kostbaarste gaven van de goddelijke barmhartigheid.”

Maar ondanks al deze genade heeft de wereld de neiging vooral te kijken naar de kleine minderheid van priesters die hun plicht verzaken en wier daden het evangelie en de Kerk te schande maken. Des te meer reden dus om voor priesters te bidden. Aan hun roeping worden zware eisen gesteld. De druk waaronder zij leven in een soms vijandige wereld is zwaar. En de offers die ze brengen uit liefde tot de Heer en zijn volk zijn heldhaftig. Laten we toch nooit vergeten wat we allemaal aan hen te danken hebben. Zij zijn zowel onze vaders als onze broers. 

Gebed

Heer, schenk de gave van Uw heilige Geest aan degenen die U waardig gekeurd hebt voor het priesterschap, opdat zij onberispelijk voor Uw altaar mogen staan, het evangelie van Uw koninkrijk verkondigen, de dienst van Uw woord van waarheid vervullen, U geestelijke gaven en offers brengen en Uw volk vernieuwen door het bad van de wedergeboorte. (Uit de Byzantijnse wijdingsritus)