Uit
het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
(21, 1-11)
Toen Jezus en de leerlingen Jeruzalem naderden en de
Olijfberg bestegen in de richting van Betfage zond Jezus twee leerlingen
uit met de opdracht: "Gaat naar het dorp daar voor u en het eerste
dat gij zult vinden is een vastgebonden ezelin met een veulen. Maak die
los en breng ze bij Mij. En als iemand u een aanmerking maakt, zegt dan:
De Heer heeft ze nodig, maar zal ze spoedig terugsturen." Dit
gebeurde, opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet: 'Zegt
aan de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en
gezeten op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdier.' De
leerlingen begaven zich op weg en deden wat Jezus hun had opgedragen;
zij brachten de ezelin met haar veulen, legden er hun mantels overheen
en Hij ging er op zitten. Zeer velen uit het volk spreidden hun mantels
uit op de weg, terwijl anderen de weg bedekten met twijgen die zij van
de bomen hadden gesneden. De mensen die Hem omstuwden, jubelden:
"Hosanna Zoon van David, Gezegend de Komende in de naam des Heren!
Hosanna in den hoge!" Toen Hij Jeruzalem binnentrok, raakte de hele
stad in beroering en men vroeg: "Wie is dat?" Het volk
antwoordde: "Dit is de profeet Jezus uit Nazaret in Galilea."
|